Leesstrategie


Het begrijpen van een tekst bereik je eerder door met een strategie te lezen.
Een strategie is een bepaalde aanpak die je de hele tijd volhoudt bij het lezen.

Een korte, heldere samenvatting van leesstrategie zijn de vier V's.

Bij elke tekst neem je voorkennis mee. Je kunt de tekst alleen lezen dankzij enige voorkennis. In de tekst staan dagelijkse woorden en moeilijkere begrippen die je kent. Daarnaast is er veel nieuws. Dankzij het bekende kun je erin slagen de nieuwe informatie te begrijpen.

We noemen dat: Voorkennis gebruiken
Bij het zien van het onderwerp van een tekst, door de afbeeldingen en kopjes en andere tekstkenmerken word je aan het denken gezet. Je bedenkt je wat je al weet over het onderwerp. Je kunt dit ook nog bewuster doen door even na te denken (of op te schrijven) wat je weet.
Lees daarna de tekst en doe steeds - bijvoorbeeld voor het lezen van elke alinea - hetzelfde. Wat weet ik al?

1. Voorspellen
In elke tekst worden 'voorspellingen' gedaan. Met signaalwoorden krijg je al een seintje over wat komen gaat. Woorden als: daarom, dus, omdat, want... geven aan dat er een uitleg gaat komen. Bijvoorbeeld een conclusie, een verklaring of een verband. Vaak vertelt de schrijver ook letterlijk wat hij/zij nog meer gaat vertellen of op welke vraag hij/zijn antwoord wil geven. Een goede schrijver bouwt zijn verhaal duidelijk op. Vaak kun je al een beetje voorspellen waar het naar toe gaat. Probeer de schrijver daar goed in te volgen. Of probeer hem voor te zijn en al te voorspellen waar het naar toe gaat in de tekst.

2. Vragen stellen
Naast het voorspellen van wat er komen gaat, kun je steeds vragen stellen. Doe dat voor je de tekst gaat lezen. Wat verwacht je van de tekst? Doe dat steeds voor je een alinea gaat lezen. Doe het ook na het lezen van een tekstgedeelte. Op welke vragen heb ik nu antwoord? Welke vragen heb ik nog?
Als je na het lezen van de tekst nog vragen hebt, lees dan nog een keer goed de tekst door. Heb je het antwoord over het hoofd gezien? Staat het antwoord niet in de tekst? Is dat bewust gedaan? Waar kun je het antwoord alsnog vinden?

3. Visualiseren
Probeer voor je te zien waar je over leest. Visualiseren (inbeelden) noemen we dat. Zo'n plaatje helpt je om al het volgende dat je in de tekst leest in het plaatje te passen en een totaalplaatje te maken.

4. Verbinden
Teksten hebben een opbouw. In de teksten zit een lijn of een structuur. We kennen allemaal de hoofdonderdelen: inleiding, middenstuk (kern) en slot. Daarnaast worden de delen van een tekst op andere manieren met elkaar verbonden. Bij voorbeeld door opsommingen en signaalwoorden (omdat, zodat, daarna, ten eerste, als laatste). Door te letten op deze verbindingen in de tekst kun je gemakkelijk de belangrijkste inhoud van de tekst vinden. Probeer hiermee de bedoeling van de tekst te ontdekken. Wat wil de schrijver je vertellen? Wat is de hoofdgedachte van de tekst?

5. Samenvatten
Tijdens het lezen vat je bijna automatisch samen. Bij een nieuwe alinea of een nieuw kopje bedenk je je wat je tot dan toe hebt gelezen. Als je een tekst moeilijk vindt, is het belangrijk even bewust het lezen te onderbreken en voor jezelf een samenvatting te maken. In gedachten, of op papier in enkele zinnen of een schema of tekeningetje. Zoek in je samenvatting naar de ´open plekken´, alinea´s of begrippen die je niet goed hebt begrepen. Bekijk in het vervolg of de tekst je kan helpen alsnog deze ´open plekken´ te begrijpen.

6. Afleiden
Als de rest van een ijsberg die zich onder water bevindt, vertelt elke tekst ook niet alles. Veel kun je tussen de regels door lezen. Je kunt het afleiden met behulp van de informatie in de tekst. Die zet jou aan het denken. Die laat je conclusies trekken en verklaringen bedenken. Dat is wat we bedoelen met afleiden.