100 werkvormen


Op deze pagina vind je 100 werkvormen die MNMweek vaak gebruikt en die je ook bij andere bronnen kunt toepassen.


1. Absoluut fout 
Je krijgt een aantal meerkeuzevragen over een tekst/video. Je kiest niet het goede antwoord, maar het antwoord dat absoluut fout is. Zorg dat je kunt uitleggen waarom dat van de foute antwoorden nog het meest fout is.

2. Animatie
Maak een (stop motion) animatie over de inhoud van de tekst. Bedenk goed hoe gedetailleerd je de inhoud wilt laten zien. Beperk je evt. tot centrale begrippen of cruciale gebeurtenissen.

3. Associëren Schrijf in een woordweb op welke associaties je hebt bij de tekst/video.

4. Beeldsamenvatting
Zoek circa 5 bijpassende foto´s op en leg daarmee de inhoud van de tekst/video uit.

5. Bekend, benieuwd, bewaard
Vat de tekst/video samen door in drie kolommen te noteren wat jou al bekend was, wat je nieuwsgierig heeft gemaakt en wat je hebt onthouden.

6. Beoordelingswoorden
Reageer met minimaal vijf en maximaal tien beoordelingswoorden op de tekst/video. Leg bij elk beoordelingswoord met voorbeelden uit de tekst/video uit waarom jij vindt dat het erbij hoort.

7. Betoog
Schrijf een kort betoog over het onderwerp van de tekst/video. Bouw je betoog als volgt op: stelling - argumenten vóór - argumenten die je tegen jouw stelling en argumenten in kunt brengen - weerlegging daarvan - een krachtige slotzin.

8. Bingo
Maak een bingokaart van 5x5 begrippen uit de tekst/video. Je speelt daarna met je groep of klas bingo. De leider van het bingospel zal aangeven hoe het spel wordt gespeeld. Bij een ´Bingo´ ben je pas winnaar als je ook doorgekruiste begrippen kort kunt toelichten.

9. Blog
Schrijf een persoonlijk bericht naar aanleiding van de tekst/video. Bedenk goed je tekstdoel (informeren, activeren etc.).

10. Bonusvragen
Bedenk een aantal vragen die niet direct aan bod komen in de tekst/video, maar die je met die bron wel min of meer kunt beantwoorden.

11. Cartoons
Maak één of meer cartoons over de inhoud van de tekst/video. Je kunt met de cartoons de inhoud presenteren, maar ook je mening over onderwerp en hoofdgedachte geven.

12. Collage
Verbeeld de kern van tekst/video in een collage. Maak het jezelf niet gemakkelijk met voor de hand liggende afbeeldingen en zorg dat de afbeeldingen een geheel vormen en voor een andere lezer/kijker herkenbaar de inhoud weergeven.

13. Column
In een column wordt vaak bij de actualiteit op een grappige manier een andere invalshoek gepresenteerd. Schrijf (met een of meer klasgenoten) zo´n column over het nieuws in de tekst/video. Bekijk online een aantal voorbeelden van columns.

14. Demonstratie
Wat zou op spandoeken en borden staan als mensen vanwege het nieuws in de tekst/video de straat op zouden gaan om te demonstreren? Bedenk vijf tot tien oproepen of slogans, waarmee je het nieuws samenvat. Probeer deze oproepen of slogans vanuit verschillende perspectieven te benaderen. Wat zouden voor- en tegenstanders op hun spandoeken en borden schrijven?

15. Denkhoeden
Je vat de inhoud van de tekst/video samen vanuit een bepaald perspectief. Je kunt kiezen uit: wit (feitelijk), rood (vanuit gevoel), groen (vanuit mogelijkheden), zwart (als advocaat van de duivel), geel (vanuit optimisme) of blauw (gericht op reflectie en overzicht). Het kan ook zijn dat je de opdracht krijgt een bepaald perspectief in te nemen.

16. Dichten
Dicht naar aanleiding van de inhoud van de tekst/video. Je kunt met een gedicht de inhoud presenteren, maar ook je mening over onderwerp en hoofdgedachte geven.

17. Dobbelen
Je vormt een groep en bespreekt aan de hand van een dobbelsteen de tekst/video. De nummers van de dobbelsteen verwijzen naar de 5w1h-vragen: 1 = wie, 2 = wat, 3 = waar, 4 = wanneer, 5 = waarom en 6 = hoe. Bij het nummer dat je gooit, bedenk je een vraag over de tekst/video. De anderen geven antwoord op de vraag. Controleer eventueel samen het antwoord met de tekst/video, als daar twijfel over is.

18. Doorgeefvragen 
Je vormt een groep van drie leerlingen. Je kiest om beurten een begrip uit de tekst/video, een tweede leerlingen bedenkt een vraag bij het begrip, een derde leerling geeft antwoord op de vraag. Je bespreekt vervolgens het antwoord met elkaar en wisselt vervolgens opnieuw van rollen (etc.).

19. Driebordendiscussie
Je vormt een groep en jullie krijgen van de docent een stelling over de tekst/video. Jullie vullen in gesprek met elkaar drie ´borden´ door argumenten te bedenken die zouden kunnen worden gegeven door wie het eens is met de stelling, door wie het ermee oneens is en door wie neutraal wil zijn. Het is ook mogelijk deze werkvorm met de hele klas (op drie posters of drie borden) te voeren.

20.  Dwarsligger
Je bedenkt wat iemand die het geheel niet eens is met de inhoud van de tekst/video zou kunnen vinden. Schrijf namens hem/haar een (goed beargumenteerde) reactie.

21. Eén minuut paper
Je schrijft na het lezen van de tekst/het zien van de video gedurende één minuut alles op wat je weet. Geef met deze aantekeningen een korte uitleg aan een klasgenoot of de klas of vraag feedback te geven bij je uitleg.

22. Eén minuut verslag
Vorm een tweetal. Vertel om beurten één minuut over het nieuws in de tekst/video. Zorg dat je als tweede spreker geen informatie herhaalt. Stel na afloop van de minuut minimaal drie verhelderingsvragen.

23. Eén-tweetje
Je vormt een tweetal en gaat samen een tekst lezen. De een leest de eerste helft, de ander leest de andere helft. Na het lezen stel eerst de een vragen, daarna de ander. Je begint met de vraag: Wat heb je geleerd over het onderwerp? Je vraagt daarna zoveel mogelijk door. Na afloop van de twee vraaggesprekken vatten jullie de tekst samen. Je leest ter controle tot slot de gehele tekst.

24. Emoticons
Vat de kern van het nieuws van de tekst/video samen in een aantal emoticons op je telefoon. Vraag een klasgenoot om die emoticons kort te verklaren. Doe hetzelfde met zijn/haar reeks emoticons.

25. Experts
Je vormt met drie andere leerlingen een groep. Je leest allemaal de tekst door en verdeelt hem daarna in vier stukken. Iedereen leest vervolgens zijn/haar deel zeer nauwkeurig en zorgt dat hij/zij expert wordt. Daarna bespreken de experts een voor een hun tekstdeel. Samen maak je met de vier deelsamenvattingen een goede samenvatting van de tekst van enkele zinnen.


26. Fake news
Bedenk drie tot vijf mogelijke vormen van fakenews die zouden kunnen ontstaan bij het nieuws in de tekst/video. Licht kort toe waarom de kans reëel is dat dat fakenews zou worden geloofd door het publiek.

27. Feedback
Je kiest één persoon uit die aan het woord kwam in de tekst/video. Geef deze persoon korte feedback. Leg met voorbeelden uit de tekst/video uit waarom je hem of haar die feedback wilt geven.

28. Flyer
Vat de instructie of de aanwijzingen in de tekst/video samen in een flyer. Zorg dat de uitleg kort maar duidelijk is. Bedenk goed hoe je de indeling van de flyer vormgeeft. Bekijk online een aantal voorbeelden van instructieflyers.

29. Fotoserie
Maak een aantal foto´s die bij de tekst/video passen. Beschrijf wat de foto´s van de inhoud weergeven.

30. Gedachteballonnen
Je schrijft bij de tekst/video minimaal zes gedachteballonnen. Je kan in de ballonnen vragen stellen, een idee noteren dat je kreeg naar aanleiding van de tekst/video of een standpunt in de tekst/video waar je het wel/niet mee eens bent. Vertel daarna aan een klasgenoot welke ballonnen je maakte en leg uit waar het tekst- of videogedeelte over gaat waar ze bij horen.

31. Husselwoorden
Je krijgt een lijst met woorden die in de tekst/video voorkomen. De letters van elk woord zijn door elkaar gehusseld. De leraar stelt je een aantal vragen. Bij het beantwoorden kies je uit de husselwoorden van de lijst.

32. Infographic
Maak een infographic die de inhoud van de tekst/video laat zien. Bekijk eerst online een aantal voorbeelden. Let goed op het samenspel van tekst (info) en beeld (graphic).

33. Informatiebordje
Maak een bordje waarop je in enkele zinnen uitleg geeft over het object dat centraal staat in de tekst/video.

34. Ingezonden brief Reageer met een ingezonden brief op het nieuws. Ingezonden brieven zijn vaak heel kort en heel krachtig geschreven. Wat zou jij willen opmerken over het nieuws en hoe zeg je dat het best?

35. Insta post
Je schrijft voor de maker van de tekst/video een Instagrampost om publiek te interesseren voor de tekst/video. Schrijf de post en kies een bijpassende foto.

36. Interview
Schrijf of film een interview met een of meer personen die in de tekst/video worden genoemd of met het nieuws te maken hebben.

37. Interviewvragen
Bedenk interviewvragen waarmee je een of meer personen die in de tekst voorkomen om meer informatie zou kunnen vragen.

38. Jeugdjournaal
Schrijf een script voor een live verslag of een video waarin je het nieuws in de tekst/video uitlegt aan een jonge doelgroep (vijf jaar jonger dan jijzelf). Op welke manier zou je het nieuws in dat geval uitleggen?

39. Knipoog
Satirische tv-programma´s en cabaret behandelen nieuws altijd met een knipoog. Ze nemen het nieuws op de hak en becommentariëren het op die manier. Bedenk hoe het nieuws in de tekst/video in zo´n programma zou kunnen worden besproken.

40. Kwartet 
Stel, je zou over het onderwerp van de tekst/video een kwartet moeten ontwerpen, welke sets van vier kaarten zou je allemaal kunnen bedenken? Noteer ze en vergelijk ze daarna met die van een klasgenoot.

41. Koppen
Bedenk ongeveer vijf koppen bij het nieuws van de tekst/video.

42. Letter lay-out
Kies een of meer begrippen die de kern vormen van de tekst/video. Teken de woorden op zo´n manier dat je de betekenis uitlegt. Dat kun je doen door het lettertype dat je kiest, door de positie van de woorden ten opzichte van elkaar en door symbolen te gebruiken.

43. Lopende band 
Je krijgt een aantal voorwerpen (op foto) te zien. De voorwerpen representeren samen een begrip uit de tekst/video. Het is aan jou om te bepalen naar welk begrip ze verwijzen.

44. Lied
Reageer in de vorm van een liedtekst op de tekst/video. Je kunt in de liedtekst de inhoud presenteren, maar ook je mening over onderwerp en hoofdgedachte geven.

45. Mindmap
Maak een mindmap over de inhoud van de tekst/video. Bekijk eerst online een aantal voorbeelden. Houd goed rekening met de kenmerken van een mindmap (tekst, beeld, kleuren, verbanden).

46. Mondelinge presentatie 
Vertel de groep over de tekst/video. Combineer vertellen, voorlezen, naspelen, analyseren en becommentariëren e.d. van de tekst/video.

47. Nieuwscamera
Een betrokkene of een ooggetuige heeft bij het nieuws van de tekst/video foto´s gemaakt. Beschrijf ongeveer vijf van zijn/haar foto´s. Wat zie je daarop gebeuren, welke vragen roepen ze op, welke sfeer overheerst etc.?

48. Nieuwsitem
Maak een korte video waarin je het nieuws uitlegt waarover je las.

49. Nieuws van de week (het jaar)
Maak een keuze uit het nieuws van de afgelopen een tot twee weken. Kies drie onderwerpen. Vat elk onderwerp in drie tot vijf zinnen samen. Vorm een tweetal en resenteer het nieuws aan elkaar. Geef elkaar de ruimte om vragen te stellen over het nieuws. Je kunt op deze manier ook met de klas een stembiljet samenstellen om het nieuws van jaar (of een top 3) te kiezen.

50. Ooggetuigenverslag
Schrijf (of film) een ooggetuigeverslag bij het nieuws van de tekst/video. Je kunt dit ook doen in de vorm van een monoloog of kort verhaal.


51. Ordenen
Je krijgt een aantal begrippen die allemaal te maken hebben met het nieuws in de tekst/video. Orden de gegeven begrippen zodat ze een goed overzicht geven van gebeurtenissen.

52. Pass the buck
Je vormt een groep. De docent stelt jullie (en andere groepen) een vraag. Je geeft met je groep antwoord door een voor een een zin op te schrijven. Je sluit steeds logisch en duidelijk aan op de vorige zinnen. Je gaat als groep net zo lang door tot er een compleet antwoord op papier staat.

53. Persconferentie
Je gaat naar een persconferentie over het nieuws van de tekst/video. Bedenk vijf vragen die je gaat stellen. Licht bij elke vraag kort toe waarom hij van belang is.

54. Pitch
Je krijgt de opdracht over enkele minuten in een zeer korte tijdsduur het onderwerp van de tekst/video uit de doeken te doen. De docent geeft aan hoe lang die ´pitch´ mag duren. Zorg dat je korte maar krachtige uitleg voorbereidt.

55. Placematsamenvatting
Je vormt een viertal en deelt een A4 in vier stukken. Laat in het midden van het A4 een vijfde vak vrij. In de vier vakken vatten jullie kort de inhoud van een bron samen. Daarna maken jullie in het vijfde vak een gezamenlijke samenvatting.

56. Placematdiscussie
Je vormt een viertal en deelt een A4 in vier stukken. Laat in het midden van het A4 een vijfde vak vrij. In de vier vakken geven jullie antwoord op een stelling van de docent. Daarna vatten jullie in het vijfde vak jullie ideeën (en een mogelijk antwoord waarover jullie het eens zijn) in.

57. Playlist
Maak een playlist van ongeveer drie tot vijf nummers die passen bij de inhoud van de tekst/video. Geef een korte toelichting bij je keuzes.

58. Pleidooi
Neem in de discussie waarover de tekst/video gaat een standpunt in. Houd een pleidooi voor de klas waarin je je standpunt bepleit. Bouw je pleidooi op zoals een betoog (zie Betoog).

59. Pop up tentoonstelling
Maak een kleine, zo klaar te zetten en zo weer af te breken tentoonstelling over het onderwerp van de tekst/video. Of maak een (digitaal) ontwerp voor zo´n tentoonstelling. Maak gebruik van alle mogelijke expositievormen. Bekijk online hoe musea hun exposities vormgeven.

60. Poster
Ontwerp een poster waarmee je de kennis over het onderwerp in de tekst/video goed samenvat. Geef de poster zo vorm dat hij in het klaslokaal zou kunnen worden gehangen en zou kunnen worden geraadpleegd door iemand die informatie zoekt over het onderwerp. Denk goed na over de indeling van de poster. Bekijk online een aantal voorbeelden van informatieve posters.

61. Prioriteiten stellen
Noteer de verschillende mogelijkheden en wensen die in de tekst/video worden genoemd. Maak daarna een keuze wat prioriteit zou moeten krijgen. Licht kort toe waarom je die keuze zou maken.

62. QADS 
Vat de tekst/video samen in een schema door vragen (Question) op te schrijven die de tekst/video beantwoordt en het antwoord (Answer) te noteren. Zet daarnaast een of meer belangrijke details (Detail) en de bron (Source) die de schrijver/videomaker heeft gebruikt.

63. Quiz
Bedenk tien quizvragen over het nieuws in de tekst/video. Zorg voor vijf makkelijke en vijf moeilijke vragen. Zorg dat de makkelijke vragen nog wel enige uitdaging bieden en zorg dat de moeilijke vragen (met veel denkwerk) nog wel te beantwoorden zijn. Speel de quiz (met jullie verzamelde vragen) eventueel met een of meer klasgenoten. Je kunt de quiz evt. vormgeven in Kahoot, Quizlet, Socrative of een ander programma.

64. Quotes
Bespreek de kern van de tekst/video aan de hand van ongeveer drie tot vijf uitspraken, spreekwoorden of gezegden.

65. Rap
Schrijf een rap over het onderwerp van de tekst/video. Je kunt de inhoud navertellen, van commentaar voorzien of verbinden met andere actualiteit.

66. Ready made
Schrijf een ready made. Dat is een gedicht dat je maakt uit een kant-en-klare tekst. Je kiest hiervoor een gedeelte uit de tekst en je deelt de zinnen zo op dat er een gedicht ontstaat. Bekijk online een aantal voorbeelden van ready mades.

67. Reflectiesamenvatting 
Je krijgt een aantal vragen over hoe je de tekst/video hebt ervaren. Bijvoorbeeld: Wat vind je in de tekst interessant, verrassend, onwaarschijnlijk, hoopvol, riskant, (on)duidelijk? Door antwoord te geven op de vraag vat je belangrijke zaken in de tekst/video samen.

68. Schaduwverhaal
Schrijf een verhaal dat zich dichtbij het nieuws in de tekst/video afspeelt. Bijvoorbeeld in een naastgelegen huis. Bedenk een of meer personages en laat hem/haar (hen) reageren op het nieuws.

69. Schalen
Je krijgt een aantal stellingen over het onderwerp van de test/video. Je kiest eerst op een vijfpuntsschaal wat jouw standpunt is, daarna geef je kort je argumenten. Vijfpuntsschaal: 1 (helemaal mee oneens) - 2 (mee oneens) - 3 (neutraal) - 4 (mee eens) - 5 (helemaal mee eens).

70. Schema
Vat de tekst/video samen in een schema. Zorg dat de pijlen en andere aanduidingen goed de verbanden aangeven tussen de onderdelen. Bedenk goed welke begrippen en werkwoorden centraal staan in de tekst/video en (dus) in jouw schema.

71. Schets 
Maak een snelle samenvatting van de tekst/video in enkele snelle tekeningen. Gebruik ze daarna om een korte uitleg aan een klasgenoot te geven.

72. Seven words story
Vertel het nieuws in de tekst/video in de vorm van een 'seven words story'. Bekijk online een aantal voorbeelden van seven word stories.

73. Sleutelwoorden, sleutelzinnen
Je krijgt een lijst met belangrijke woorden uit de tekst/video. Vat de tekst/video samen in zinnen waarin je steeds twee woorden gebruikt. Orden de zinnen zo, dat ze de tekst/video goed samenvatten.

74. Stiftgedicht
Maak een gedicht door (een deel van) de tekst weg te lakken en een aantal woorden te laten staan. Die woorden vormen samen een gedicht dat op de een of andere manier met het onderwerp van de tekst te maken heeft. Bekijk online een aantal voorbeelden van stiftgedichten. Je kunt deze werkvorm natuurlijk ook gebruik door een gedicht te maken over een video. Kies zelf een tekst voor het gedicht.

75. Stille wanddiscussie
Je vormt een groep en jullie krijgen van de docent een stelling bij de tekst/video. Jullie discussiëren op papier door standpunten en bijbehorende argumenten te noteren. Als de gegeven tijd voorbij is, bespreken jullie met elkaar (of met de klas) welke mogelijke standpunten jullie hebben bedacht en welke argumenten daarbij mogelijk zijn. Je kunt deze werkvorm ook met een groter deel van de klas uitvoeren.


76. Stellingen
Vat de tekst/video samen in vijf stellingen. Licht elke stelling kort toe. Lever je stellingen in bij de leraar. Een keuze uit alle stellingen kan worden gebruikt voor een dicussievorm uit deze lijst.

77. Storyboard
Benoem de belangrijkste gebeurtenissen in de tekst/video in een storyboard van tien tot vijftien schetsen.

78. Strip 
Maak een korte strip naar aanleiding van het nieuws van de tekst/video.

79. Taboewoord(en)

Vat de tekst/video samen, maar gebruik niet de taboewoorden die de docent je heeft gegeven of die met de klas zijn bedacht.

80. Talkshow
Vorm een duo en bereid een vraaggesprek voor over de tekst. De een speelt de rol van interviewer, de ander de rol van expert. Maak daarna een video van het vraaggesprek of schrijf het vraaggesprek op.

81. Tegenverhaal
Schrijf een kort verhaal waarin loop der gebeurtenissen anders is dan in de tekst/video.

82. Tijdbalk
Vat de chronologische informatie in de tekst/video samen in een tijdbalk.

83. Toets 
Bedenk een toets van tien tot vijftien vragen over de tekst/video. Zorg dat je vraagt naar alle aspecten die de tekst/video behandelt.

84. Tweet
Vat de tekst/video samen in enkele tweets.

85. Uitbeelden
Vorm een groep en noteer allemaal vijf tot tien begrippen uit de tekst/video op een briefje of een kaartje. Verzamel jullie begrippen en beeld om beurten een begrip uit voor de anderen. Probeer het begrip te raden en leg uit wat het te maken heeft met het onderwerp.

86. Veelgestelde vragen
Vat de informatie in de tekst/video samen in een aantal ´Veelgestelde vragen´.

87. Verslaggever
Treed op als verslaggever. Bespreek het onderwerp kort voor de klas. Geef een gedetailleerd, levendig verslag van de feiten en onduidelijkheden.

88. Vervolg
Schrijf een kort verhaal waarin jij bepaalt hoe het verder gaat met het nieuws in de tekst/video.

89. Vlog
Vat de tekst/video samen in een vlog van enkele minuten. Of film een persoonlijke reactie naar aanleiding van de tekst/video. Bedenk goed je doel (informeren, activeren etc.).

90. Voorpagina
Maak een ontwerp voor een voorpagina van een krant, tijdschrift of nieuwswebsite waarop je verschillende aspecten van het nieuws in de tekst/video in beeld brengt. Bedenk welke deelonderwerpen, koppen en foto´s jij zou gebruiken voor je voorpagina.

91. Voorspellen
Je krijgt een korte vooruitblik op een tekst/video. Je schrijft daarna in één minuut op wat je verwacht te gaan lezen/zien en horen. Daarna lees je de tekst/bekijk je de video. Vergelijk daarna je voorspellingen met wat je werkelijk vond in de bron.

92. Voorverkennen
Je vormt een groep. Iedere groep krijgt van de docent een begrip. Je bespreekt met elkaar wat het begrip betekent. Je mag daarvoor ook online bronnen gebruiken. Daarna licht elke groep het begrip dat ze kregen kort toe. Hierna lees je een tekst/bekijk je een video. De begrippen spelen hierin een belangrijke rol. Door de voorverkenning heb je al nagedacht over je voorkennis en verder kennisgemaakt met de begrippen.

93. Voorwerpen 
Noteer ongeveer vijf voorwerpen die het nieuws van de tekst/video goed samenvatten. Vraag een klasgenoot de kern van de tekst met deze voorwerpen samen te vatten.

94. Waarderen
Vat de tekst/video samen door een overzicht te maken van waarden die in het spel zijn. Vanuit welke waarden willen de personen in de tekst/video veranderingen teweegbrengen? Welke waarden komen overeen en welke zijn strijdig met elkaar?

95. Wat… als....
Je krijgt van je docent een wat… als…-scenario over het nieuws van de tekst/video. Het is aan jou om te beschrijven wat zou gebeuren als op het op die manier met het nieuws verlopen was.

96. Wat is de vraag?
Je krijgt een lijst begrippen uit de tekst/video. Je vormt daarna een tweetal en noemt om beurten een begrip. De ander bedenkt de vraagt die bij het begrip hoort.

97. What happens next
Je krijgt van een tekst slechts de eerste helft te lezen / je krijgt van een video slechts de eerste helft te zien. Op basis van die helft voorspel je wat de tweede helft laat zien. Vervolgens lees/bekijk je die en vergelijk je je voorspellingen met de werkelijke inhoud.

98. Wisseldiscussie
Je vormt een groep en krijgt een groot vel. De docent geeft jullie een stelling en om beurten denken jullie één minuut hardop na over mogelijke standpunten en de argumenten die erbij horen. De anderen die niet aan het woord zijn, noteren de standpunten en de argumenten die door de spreker worden genoemd.

99. Wisselquiz
Vorm een groep en bedenk ongeveer tien quizvragen. Noteer ook de antwoorden. Wissel daarna de quiz uit met een andere groep en speel elkaars quiz.

100. Woordvoerder
Je mag als woordvoerder een korte verklaring geven over het nieuws in de tekst/video. Kies een perspectief (kant) en bedenk je wat je wel en niet zou vertellen als de pers je een microfoon voorhoudt.