
Woordenschat:
▢ primitief
▢ het fenomeen
▢ inferieur
▢ het motief
▢ cognitief
▢ de speculatie
▢ het stereotype
▢ het stereotype
▢ de genetica
Leerdoel:
▢ Ik kan de hoofdgedachte benoemen
▢ Ik kan argumenten van de schrijver benoemen
BK
1. Wat is de aanleiding voor het schrijven van dit artikel?
2. Waardoor ontstond een stereotype van de neanderthaler?
3. Waarom is het aannemelijk dat de neanderthalers ook taal kenden?
4. Welke twee manieren van onderzoek naar grottenkunst noemt het artikel?
5. Wat wordt bedoeld met gut feeling (alinea 10)?
GT
1. Welke twee manieren van onderzoek naar grottenkunst noemt het artikel?
2. Geef twee redenen waarom negatief werd gedacht over de neanderthaler.
3. Welk voorbeeld van inkleuren (alinea 13) geeft Roebroek?
4. Wat bedoelt Roebroek met archeologische verschillen (alinea 5)?
5. In welke alinea´s laat de schrijver het belang van deze ontdekking het sterkst blijken? Motiveer je antwoord.
HV
1. Om welke redenen werd de neanderthaler altijd beschouwd als inferieur aan de eerste mens?
2. Welke rol speelt genetica?
3. Geef een ander woord voor inkleuren (alinea 13).
4. Leg de volgende uitspraak uit: "Het bezitten van voorwerpen met een symbolische waarde, in plaats van een praktische, is een van de dingen die ons mens maakt" (alinea 7).
5. Gaat het artikel over een redelijk grote, grote of zeer grote ontdekking? Motiveer je antwoord.